Nieuwsarchief van de VOO

De geest van Jan Wolkers zweeft over de geesten

Wat moet er gebeuren met het landgoed Endegeest, de buitenplaats Rhijngeest en het gebied Overgeest, nu veel stukken grond van eigenaar verwisseld zijn, en er nieuwe plannen gemaakt worden?

Omwonenden, schrijvers, natuurliefhebbers, biologen, historici, grondeigenaren en projectontwikkelaars hebben allemaal hun eigen ideeën over de toekomst van deze laatste groene oase in de Randstad. De Oegstgeester Courant biedt hen een podium voor hun visies zonder daarbij partij te kiezen.

Dit keer laat de Leidse schrijver en Wolkers-biograaf Onno Blom zijn licht schijnen over de ‘Julianaschool’ aan de Endegeesterstraatweg nummer 3, waar Jan Wolkers leerde schijven en verliefd werd op juffrouw Muis.

Tijdens het schrijven van de biografie van Jan Wolkers heb ik vaak de kleine wandeling gemaakt die hij als zesjarig jongetje dagelijks maakte: van de voordeur van de Deutzstraat 7, waar zijn streng gereformeerde vader een kleine kruidenierszaak dreef in Comestibles & Koloniale Waren, naar het grote gebouw aan de Endegeesterstraatweg nummer 3. Daar was de Nederlands hervormde school van hoofdonderwijzer B.J. van der Meene gevestigd, waar Jan vanaf september 1932 naartoe ging.

Het is maar een klein stukje lopen, van geest naar geest. De Deutzstraat uit, en linksaf langs het smalle slootje dat de weg van het groene terrein van Rhijngeest scheidt. In mijn verbeelding hoor ik schelpjes onder jongensschoenen knarsen. Inmiddels is dat grote witte paviljoen, dat Jan altijd aan een Duitse ansicht deed denken, het gemeentehuis van Oegstgeest geworden. Voor de deur, in een cirkel van groen, staat Wolkers’ monument Vrouwen in Verzet. Een vlam van glas, die licht afstraalt onder de oude beuken.

Gekkenhuis

In de jaren dertig was Rhijngeest een krankzinnigengesticht voor de beter gesitueerden. ‘Even verderop’, schreef Wolkers in Terug naar Oegstgeest, ‘aan de overkant achter een hoog hek dat van boven afgezet was met prikkeldraad, kreeg je wat gewoon het gekkenhuis werd genoemd, waar de minder bedeelden zaten, en waarvan mijn vader zei, dat als je arm was je zeker anders gek was dan wanneer je rijk was. En dat was ook zo.’

Aan het einde van het terrein, de schoollokalen keken erop uit, lagen moestuinen, die door de kaalgeschoren en in grove manchesterpakken gestoken patiënten onderhouden werden. De ‘gedrochten met ontwapenende kindergezichten’ en ‘fronsende bruten’ boezemden Jan hevige angst in. Hij dacht dat ze elk moment konden aanvallen.

Monsters

De vader van een jongetje uit zijn klas was oppasser bij Endegeest en had vlak boven zijn oor de voor van een klief met een schop. Dat jongetje vertelde hem dat op de zolder van de paviljoens in badkuipen monsters in leven werden gehouden. ‘Wezens die in het foetusstadium waren blijven steken en als vleeskleurige zeepaardjes in lauwe melk dobberden, hun ogen niet door hun huid hadden kunnen uitbotten als vage inktvlekken, doedelzakken van mensen vlees zonder ledematen, met een open schedel waaruit hersenen als zeeanemonen naar buiten kronkelden.’

De school van meester Van der Meene – die na de oorlog ‘Julianaschool’ zou heten – was een bakstenen kolos. In 1912 was het dak van het gebouw gelicht en er een verdieping opgezet om plaats te bieden aan alle protestantse kindertjes uit de omgeving. De afgelopen jaren huisde er een zorginstelling. ‘Rivierduinen’ stond op het bordje naast de hermetisch gesloten voordeuren.

Binnenglippen

Op een mooie lentedag in 2016 ben ik er naar binnengeglipt, omdat ik met eigen ogen wilde zien of de beschrijving die Wolkers van zijn oude school gaf wel klopte. Ik tuurde naar binnen door de gietijzeren ramen en zag de schim van een witte jas voorbij schuiven. Een zielendokter? Een oppasser? Toen liep ik om het gebouw heen en kwam op een binnenplaats met gras en een paar bomen.

Een man met een uitgestreken gezicht en een rammelende sleutelbos in zijn hand kwam door de piepende achterdeur naar buiten. Ik groette hem op mijn allervriendelijkst, ‘goedemorgen!’, zette snel mijn voet tegen de post zodat de deur niet dichtviel en trad binnen. Ik stond aan de voet van een brede trap. In Terug naar Oegstgeest staat dat er in het trappenhuis tegels te zien waren met symbolische afbeeldingen in Jugendstil van de industrie, de landbouw, de visserij en de veeteelt. ‘En een gezandstraald raam waarop in helder glas twee spreuken in sierletters waren uitgespaard. “Kennis is macht” en “Die mij vroeg zoeken zullen mij vinden”.

Die spreuken, schreef Wolkers, leken met elkaar in tegenspraak. Maar in het begin, toen hij nog niet lezen kon, oefenden ze een geheimzinnige aantrekkingskracht op hem uit. ‘Alsof een onzichtbare hand op bomijs een noodlottig bericht had geschreven.’

Jugendstil-tableaus

De Jugendstil-tableaus waren er nog. Ze zijn heel sierlijk en kleurrijk. Toen ik stil bleef staan bij het eerste tableau onderaan de trap, me voorover boog, leesbril op mijn neus, en staarde naar de ranke vrouwenfiguur op het tableau en het woord ‘LEZEN’, daalde een man van de trap af en keek mij bevreemd aan. Hij zei niets. Ik zei ook niets. Was dit een dokter of een patiënt? Soms weet je het niet.

De ‘gezandstraalde ramen’ uit Wolkers’ jeugd waren er ook nog, zag ik toen ik naar boven sloop, al stonden er in gebrandschilderde letters twee andere spreuken dan hij in zijn roman heeft geschreven. De teksten die er wel staan, verraden de oorsprong van het gebouw: ‘Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert ze niet.’ Marcus 10:14. En: ‘De vreeze des Heeren is het beginsel der kennis.’ Spreuken 1:7.

Na zijn schooltijd is Wolkers nooit meer in het gebouw geweest. Hij herinnerde zich de tableaus nog goed, maar wist niet meer precies hoe ze eruit zagen en welke teksten erbij hadden gehoord. Kennelijk was de onzichtbare hand die op bomijs een noodlottig bericht had geschreven van hemzelf.

In het verhaal ‘Zwarte advent’ schreef Wolkers dat bij een afbeelding van gestileerde reigers stond geschreven: WEES GOED VOOR DIEREN. SPAAR DE VOGELS. ‘Ik was dat altijd trots en met het hoofd fier rechtop voorbijgelopen omdat het een van de weinige geboden was die ik nooit overtreden had.’ Door zijn klasgenootjes werd Jan, met een variant op de bijnaam van graaf Floris v, ‘der meerlen God’ genoemd omdat hij de nesten in de buurt van de school – hij wist alle nesten in de bomen te zitten – beschermde tegen eierroof.

In het trappenhuis vond ik alleen een tegeltableau met een gestileerde nachtegaal tegen een prachtige paarsblauwe achtergrond met sierlijke muzieknoten. Daarboven stond het woord ‘ZINGEN’. Toen ik het pand weer stilletjes via de achterdeur verliet, zat, geloof het of niet, een merel uit volle borst te zing.

Juffrouw Muis

In het eerste jaar kwam Jan in de klas bij juffrouw Muis – die ‘juffrouw Vink’ wordt genoemd in Terug naar Oegstgeest – en was op slag verliefd op haar. ‘Ze had dezelfde amandelvormige ogen als de godin van de liefde, maar mooier nog, goudbruin, omdat haar voorouders in onze voormalige kolonie in de Oost de schoonheid van de Gordel van Smaragd in al zijn geledingen hadden bemind.’

Het jongetje wilde zo dichtbij haar zijn als hij maar kon. Hij zorgde er elke dag voor dat hij op tijd op school was om zijn jas naast de hare aan de kapstok te kunnen hangen en liet dan zijn gezicht even in de stof van haar jas verdwijnen om haar geur diep op te snuiven. Juffrouw Muis leerde Jan schrijven. Zij bracht hem de sensatie bij dat uit die eindeloze, ritmische herhalingen, die krullendraaierij van zijn kroontjespen ineens woorden verschenen.

Juffrouw Muis verliet na een jaar de school. Jan was ontroostbaar. ‘Urenlang heb ik op het winkeltrapje zitten huilen in de slagschaduw der diepe verlatenheid.’ Hij kreeg een andere juf, die in Terug naar Oegstgeest ‘Hakkenberg’ wordt genoemd, en in werkelijkheid Wilhelmina Maria Eggink heette. Zoals hij juffrouw Muis liefhad, zo haatte hij haar opvolgster. ‘Een verminkte tor die, met aan haar linkerbeen een hoge zwarte schoen als een ouderwets strijkijzer, door de klas hinkte. Ze had een ring zonder steen aan haar vinger. Als je iets deed wat haar niet beviel sloeg ze je met haar knokkels op je hoofd, zodat er vaak een klein bloederig vierkantje achterbleef van de zetting. Als ik het thuis liet zien, zeiden ze: “Dat zal je dan wel verdiend hebben.”’

Leidsche Houtschool

Op zijn zevende werd Jan alweer van ‘de school met alleen maar de bijbel’ afgehaald. Vlak voor het einde van het schooljaar, op 19 juni 1933, in het laatste semester van de tweede klas, deed zijn vader hem naar een school die weliswaar verder weg was gelegen, in de Leidse Raadsherenbuurt, maar wél was gestoeld op gereformeerde grondslag: De Leidsche Houtschool. ‘In de rotsvaste overtuiging dat zinsontleding en het in het hoofd stampen van de tafels van vermenigvuldiging beter zou gaan onder leiding van leerkrachten die op dezelfde calvinistische leest geschoeid waren als het gezin.’

Schitterend landschap

De lommerrijke laan tussen Wolkers’ ouderlijke woning en zijn eerste lagere school ligt op historische grond. Toen Jan er als zesjarige rondzwierf, zat Ortega Y Gasset in het Witte Huis zijn Opstand der horden te schrijven. Freud en Einstein wandelden hier. De gebouwen, de bomen, maar juist ook de open stukken land, zoals het weiland op de grens van Leiden en Oegstgeest, waar Wolkers in de zomer van 1944 tussen de bloeiende boterbloemen zijn allereerste echte kunstwerk tekende en nu de ooievaars broeden, de Leidse Hout, het bos van Poelgeest – ze vormen samen het schitterende landschap van Wolkers’ jeugd.

Naar elke vierkante centimeter grond in Oegstgeest zit elke projectontwikkelaar likkebaardend te kijken. Wolkers vond dat verschrikkelijk. Hij schrok zich te barsten, toen aan het einde van de vorige eeuw de molen ‘Hoop doet leven’, die Claude Monet nog had geschilderd, ineens uit het landschap was verdwenen. De molen was verplaatst, moest wijken voor bedrijfsgebouwen van de bloemenveiling.

Woedend riep Wolkers de God van zijn vader aan, en God kwam naast hem staan en zei: ‘Alles van waarde gaat tegenwoordig rücksichtslos op de schop. Ze noemen zich mijn rentmeester, maar ze doen niet anders dan mij in naam van de mammon tegen mijn kloten schoppen. Hebzucht en domheid vieren hoogtij.’

Bezuren

In 1998, toen rond het terrein bij Endegeest een villawijk dreigde te verrijzen, zei hij over projectontwikkelaars: ‘Het schijnt dat ze tegenwoordig niet eens meer in de hel toegelaten worden omdat ze bang zijn dat ze daar zelfs de boel verpesten.’

Hopelijk krijgen ze geen voet aan de historische grond. Het zou ze bezuren. Want de geest van Jan Wolkers zweeft over de geesten.

Overgenomen uit de Oegstgeester Courant