Levend verleden

09 Het Oude Raadhuis

Het armbestuur van Oegstgeest kocht in 1686 een Zuid-Hollands werkmanshuis dat dateerde uit 1644. Dit diende tot in de 18e eeuw als ‘arm- en weeshuis’. Het ambachtsbestuur liet er een ‘Regtkamer’ aanbouwen. De oorspronkelijke structuur van het werkmanshuis, met opkamer en kelder, is nog aanwezig. Het huis had een stenen trapgevel. In 1868 kocht de gemeente het gebouw waarna het in 1870 is uitgebreid. Het ‘Regthuys’ werd ‘Raadhuis’ en de ‘Regtkamer’ veranderde in ‘raadzaal’. Links daarvan kwam de burgemeesterskamer en een poort als verbinding met het nog steeds aanwezige cachot. De stenen trapgevel werd vervangen door een gestucte lijstgevel.

Het woord ‘Raadhuis’ boven de poort gaf de toegang tot het raadhuis aan. Daarboven hangt het gemeentewapen zoals dat tot 1904 eeuwenlang is gebruikt. De voorkant van het voormalig ‘arm- en weeshuis’ werd brandspuitruimte – vandaar ’Brandspuit Nᵒ1’ in de gevel – en de achterkant bodewoning. De topgevel heeft een hijsbalk voor het drogen van brandslangen. Daarboven hangt de brandklok. Daarmee werden de ‘brandgasten’ opgeroepen en besluiten afgekondigd.

In 1900 verloor het gebouw zijn functie vanwege het nieuwe gemeentehuis in het Wilhelminapark. Tussen 1988 en 1990 is het rijksmonument geheel gerestaureerd.

Oude Raadhuis voor restauratie
Groentewinkel van Hoogervorst 1965
Ingang Raadhuis
Brandspuit No 1

Aanvullende informatie

Na 1900 werd het pand bewoond door drie families. De familie Hoogervorst, nachtwaker Piet de Wit en Toon van der Berg. Hoogervorst was groentekweker en daarnaast ook koster en doodbidder. Zijn gezin bestond uit tien jongens en drie meisjes. Hoogervorst verkocht zijn groente vanuit de winkel die in het pand gevestigd was. In 1988 liet de huidige eigenaar Gerard Wuisman het huis geheel restaureren op basis van historische foto’s.

Voor de geschiedenis van het Rechthuis dienen we terug te gaan naar de herberg ‘Het Wapen van Oegstgeest’ in de 17e eeuw gelegen aan de Heerweg (huidige Rhijngeesterstraatweg) naast het huidige ‘Klein Curium’. Uit een akte van 27 juni 1643 blijkt dat in deze herberg de ‘vierschaar’ werd gehouden. Ook wordt daarin gewag gemaakt van de aanwezigheid van een brandklok; van de dorpskassen, waarin de archieven van het ambacht werden bewaard; van het gevangenhuis en van het shuthok, dat diende voor het onderbrengen van loslopend vee. De herbergier was tevens gerechtsbode, van 1640 tot 1674 ook eigenaar van de herberg. Tot laat in de 17e eeuw vergaderde het ambachtsbestuur in dit ‘Oude Rechthuis’.